Bijscholing voor medewerkers in de bouw werkt via praktijkgerichte leertrajecten waarbij een werknemer nieuwe vakkennis opdoet naast of tijdens zijn werk. De werkgever speelt hierin een centrale rol: hij regelt de opleiding, draagt vaak de kosten en zorgt dat de medewerker praktijkervaring opdoet op de werkvloer. Hieronder beantwoorden we de meest gestelde vragen over bijscholing in de bouw.
Wat vergoedt een werkgever bij bijscholing in de bouw?
Een werkgever in de bouw vergoedt doorgaans de volledige opleidingskosten voor bijscholing van medewerkers. Dat omvat het cursusgeld, reiskosten en soms ook de uren die een medewerker besteedt aan scholing. Of en hoeveel een werkgever precies vergoedt, hangt af van de cao, de omvang van het bedrijf en de beschikbare subsidie- of fondsmogelijkheden.
Binnen de bouw- en infrasector bestaan er sectorale fondsen, zoals het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid (O&O Fonds Bouw), die werkgevers financieel ondersteunen bij het opleiden van personeel. Bouwbedrijven kunnen via dit fonds een bijdrage aanvragen voor erkende opleidingstrajecten. Dit verlaagt de drempel om te investeren in bijscholing van bouwpersoneel aanzienlijk.
Naast sectorale fondsen zijn er ook subsidiemogelijkheden via de overheid, zoals de SLIM-regeling, die gericht is op het stimuleren van leren en ontwikkelen in het mkb. Het is verstandig om als werkgever vooraf te inventariseren welke financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn, zodat de investering in scholing zo laag mogelijk uitvalt.
Welke soorten bijscholing zijn er voor bouwmedewerkers?
Voor bouwmedewerkers zijn er drie hoofdvormen van bijscholing: losse modules gericht op een specifieke vaardigheid, volledige vakopleidingen die leiden tot een erkend vakbekwaamheidsbewijs, en veiligheids- of certificeringstrainingen die wettelijk verplicht of sectorbreed vereist zijn.
Modulaire bijscholing
Modulaire bijscholing richt zich op een afgebakend onderdeel van een vak. Denk aan een training in veilig werken op hoogte, het leggen van pannendaken of het werken met energiesystemen op het dak. Deze modules zijn kortdurend, praktijkgericht en direct toepasbaar op de werkvloer. Ze zijn bij uitstek geschikt voor medewerkers die al werkzaam zijn in de bouw en hun kennis op een specifiek punt willen verdiepen.
Volledige vakopleidingen
Een volledige vakopleiding bouw leidt een medewerker op tot een volledig gekwalificeerd vakman in een bepaald beroep. Voorbeelden zijn opleidingen tot dakdekker, voeger of leidekker. Deze trajecten combineren theorie en praktijk en resulteren in een erkend vakbekwaamheidsbewijs op NLQF-niveau 2 of 3. Zo’n bewijs geeft werkgevers en opdrachtgevers zekerheid over het niveau van de medewerker.
Hoe lang duurt een bijscholingstraject in de bouw?
De duur van een bijscholingstraject in de bouw varieert sterk: een losse module duurt twee tot vier dagen, terwijl een volledige vakopleiding doorgaans vijftien dagen beslaat, verspreid over een langere periode. Dat maakt bijscholing ook naast werk goed te combineren.
De kortere trajecten zijn bewust zo opgezet dat een medewerker zo min mogelijk uitvalt op de werkvloer. Een module als Veilig werken op hoogte duurt bijvoorbeeld twee dagen, terwijl een uitgebreidere module zoals Hoek-kil, zinkwerk en aansluitingen elf dagen in beslag neemt. Een volledige opleiding tot dakdekker op niveau 2 of 3 bestaat uit vijftien opleidingsdagen.
Bij een verkorte bouwopleiding worden de opleidingsdagen vaak gespreid over meerdere weken of maanden, zodat de medewerker tussendoor gewoon kan blijven werken. Dit maakt het model van werken en leren in de bouw voor zowel werkgever als werknemer praktisch haalbaar.
Wanneer is bijscholing verplicht voor bouwvakkers?
Bijscholing is in de bouw verplicht als een medewerker werkzaamheden uitvoert waarvoor een wettelijk certificaat of sectoraal bewijs vereist is. Denk aan het werken op hoogte, het werken met gevaarlijke stoffen of het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de sector een vakbekwaamheidseis stelt via de bedrijfstakkwalificatiestructuur (BKS).
Buiten de wettelijke verplichtingen zijn er ook situaties waarin bijscholing sterk aanbevolen is, maar niet formeel verplicht. Dat geldt bijvoorbeeld wanneer een medewerker nieuwe taken krijgt, de technologie op de werkvloer verandert of een bedrijf zijn dienstverlening uitbreidt naar nieuwe specialismen. In de praktijk kiezen veel bouwbedrijven voor proactieve scholing om de duurzame inzetbaarheid van bouwpersoneel te waarborgen en om te voldoen aan de kwaliteitseisen van opdrachtgevers.
Hoe vraag je als werkgever bijscholing aan voor een medewerker?
Als werkgever vraag je bijscholing voor een medewerker aan door eerst de opleidingsbehoefte in kaart te brengen, vervolgens een passend traject te selecteren bij een erkend opleidingsinstituut, en daarna de financiering te regelen via sectorale fondsen of subsidies. De aanmelding verloopt in de meeste gevallen rechtstreeks via het opleidingsinstituut.
Een praktische aanpak ziet er als volgt uit:
- Bepaal de opleidingsbehoefte: Welke kennis of vaardigheid ontbreekt bij de medewerker? Gaat het om een specifieke module of een volledig vaktraject?
- Kies een erkend opleidingsinstituut: Zorg dat de opleiding erkend is binnen de BKS van de bouw- en infrasector en dat het instituut bevoegd is tot examinering en kwaliteitsborging.
- Inventariseer financieringsmogelijkheden: Vraag na of de opleiding in aanmerking komt voor een bijdrage via het O&O Fonds Bouw of een andere subsidieregeling.
- Meld de medewerker aan: Neem contact op met het opleidingsinstituut en plan de startdatum in afstemming met de werkplanning.
- Zorg voor praktijkbegeleiding: Bij praktijkgerichte opleidingen heeft de medewerker werkervaring op de bouwplaats nodig. Wijs een leermeester of begeleider aan binnen het bedrijf.
Wat is het verschil tussen bijscholing en omscholing in de bouw?
Bijscholing verdiept of verbreedt de bestaande vakkennis van een medewerker die al in de bouw werkt. Omscholing is een volledige overstap: iemand leert een nieuw beroep, vaak vanuit een heel andere sector. In de bouw gaat het bij omscholing vaak om zij-instromers die vanuit een ander vakgebied de stap naar de bouw maken.
Het onderscheid heeft praktische gevolgen voor de opzet van het traject:
- Bijscholing bouwt voort op bestaande kennis en vaardigheden. De trajecten zijn korter en gericht op een specifiek onderdeel van het vak.
- Omscholing naar de bouw start bij de basis. Een zij-instromer leert het vak van de grond af, maar hoeft daarvoor geen regulier mbo-traject te volgen. Via een verkorte opleiding kan iemand snel vakbekwaam worden.
Een zij-instromer in de bouw heeft geen bouwdiploma nodig om te starten met een opleiding, maar heeft wel praktijkervaring bij een bouwbedrijf nodig om het traject af te ronden. Werkgevers die een zij-instromer aannemen en opleiden, spelen dus een onmisbare rol in het omscholingsproces. Dit maakt omscholing een gedeelde verantwoordelijkheid van werknemer en werkgever.
Hoe SVGO – Gaan In De Bouw helpt met bijscholing van bouwmedewerkers
Wij bieden praktijkgerichte opleidingen en leertrajecten die speciaal zijn ontwikkeld voor werknemers in de bouw- en infrasector, zowel voor bijscholing als voor omscholing. Onze aanpak is gericht op snel en vakkundig opleiden, zonder dat een medewerker langdurig uitvalt op de werkvloer. Dit is wat we bieden:
- Erkende vakbekwaamheidsbewijzen op NLQF-niveau 2 en 3, gedragen door de bedrijfstakkwalificatiestructuur (BKS) van de bouw- en infrasector
- Modulaire opleidingen die je apart kunt volgen, zodat een medewerker precies de kennis opdoet die op dat moment nodig is
- Volledige vakopleidingen voor beroepen zoals dakdekker, voeger en leidekker, gegeven door ervaren leermeesters
- Flexibele planning waarmee werken en leren goed te combineren zijn
- Een route naar diplomering via een EVC-traject, zodat het vakbekwaamheidsbewijs de deur naar verdere ontwikkeling open houdt
Wil je weten welke opleiding het beste past bij jouw medewerker of situatie? Bekijk het volledige aanbod op SVGO – Gaan In De Bouw en ontdek hoe wij jouw medewerker snel en vakkundig kunnen opleiden.