Een diploma is geen afscheid, het is een tot ziens
Pieter Oterdoom over een leven lang ontwikkelen in de bouw
“Het onderwijs moet vooral niet denken: ik leid iemand op en ik neem afscheid. Een diploma halen is geen afscheid, het is een tot ziens.” Aan het woord is Pieter Oterdoom, strategisch adviseur leren en ontwikkelen bij Stichting JIJ in de Bouw & Infra. Hij is ruim een jaar geleden gestart en heeft in die tijd een scherp beeld gekregen van wat de bouw- en infrasector nodig heeft om vakmanschap te behouden. JIJ in de Bouw & Infra is gevestigd in Harderwijk. Het bestuur is paritair samengesteld, met zowel werkgevers als werknemers. De stichting richt zich op vier kerndomeinen: leren en ontwikkelen, het positioneren van de sector, het ondersteunen van arbeidsmarktadviseurs en arbeidsmarktonderzoek.
Van regie voeren tot sectorale invloed
Als strategisch adviseur is het Pieter zijn kerntaak om initiatief te nemen, regie te voeren en de sectorale invloed op onderwijs te stimuleren. Daarbij onderscheidt hij drie soorten onderwijs: het reguliere onderwijs (vmbo tot en met hbo/wo), de Bedrijfstakkwalificatiestructuur (BKS), die via SVGO-Gaan in de Bouw direct aansluit op de bouw- en infrasector, en het cursorische onderwijs, de kortere trajecten. “De ambitie is om vanuit de sector meer invulling te geven aan al die vormen, door met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan en te zorgen dat het goede behouden blijft, terwijl tegelijkertijd de onderlinge wisselwerking en samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en organisaties wordt versterkt.”
Waarom een leven lang ontwikkelen nodig is

Om uit te leggen hoe die drie vormen zich tot elkaar verhouden, gebruikt Pieter het beeld van de liggende zandloper. Het reguliere onderwijs is het breedste deel, gevolgd door het smallere BKS-traject en het nog smallere cursorische onderwijs. Maar wie zich een leven lang
blijft ontwikkelen, stapelt die kleinere stappen weer op elkaar, zodat de denkbeeldige zandloper aan de andere kant weer breder uitloopt. “Als je denkt in een leven lang ontwikkelen, dan stapelen al die kleinere onderdelen zich weer op. En op een gegeven moment kun je met dat bewijs weer terug naar het reguliere onderwijs.”
Voor hem is dat de kern van goed onderwijs: niet opleiden en afscheid nemen, maar opleiden met de gedachte dat mensen terugkomen. Juist omdat het reguliere onderwijs nu minder instroom heeft dan de bouwsector de komende jaren nodig heeft, is het volgens hem essentieel dat de sector mensen die eerder een opleiding hebben gedaan op een ander moment weer weet op te vangen.
De opgave voor de sector
Op de vraag waarom opleiden zo belangrijk is voor de sector, is Pieter helder: “De sector Bouw en Infra staat voor een dubbele uitdaging. Enerzijds zorgt de demografische ontwikkeling, met een afnemend aantal jongeren en een vergrijzende beroepsbevolking, voor toenemende druk op de instroom in mbo-opleidingen en op de beschikbaarheid van vakmensen. Anderzijds groeit de maatschappelijke opgave juist sterk. Nederland staat voor een omvangrijke woningbouwopgave, de verduurzaming van de gebouwde omgeving, de energietransitie en het onderhoud en de vernieuwing van de infrastructuur. Hierdoor ontstaat een groeiende spanning tussen de beschikbare capaciteit en de benodigde vakbekwaamheid. Opleiden is daarom niet alleen een onderwijsvraagstuk, maar ook een strategische noodzaak om voldoende vakmensen op te leiden, nieuwe doelgroepen aan te trekken en medewerkers gedurende hun loopbaan flexibel te laten ontwikkelen binnen de sector.” Daarom is het een gezamenlijke opgave om de drempel voor instroom zo laag mogelijk houden. Zodat mensen makkelijk instappen en binnen de sector kunnen doorstromen. Ook als ze niet voor altijd bij hun oorspronkelijke vak of werkgever blijven. Hier sluit het aanvalsplan techniek breed op aan: een initiatief waarin techniekbrede samenwerking wordt gezocht, met iedereen gericht op hetzelfde doel, instroom en doorstroom binnen de sector.
Waarde geven aan skills
Die inzet op flexibiliteit roept ook een vraag op over waardering: hoe zorg je dat vaardigheden die via een ander pad zijn behaald, waarde hebben? Pieter ziet hier vooral een taak liggen voor de sector: waarde geven aan skills, zodat deze serieus worden genomen. Voor deelnemers boven de 23 jaar, die vaak al beschikken over basisvaardigheden als Nederlands en burgerschap, kan de focus dan volledig liggen op de vakinhoudelijke skills, met een diploma dat evenveel waarde heeft.
Een anekdote van een bijeenkomst met een branchevereniging laat zien dat die waardering in de praktijk nog niet vanzelfsprekend is. Daar sprak hij met een aantal jonge mensen van 24 en 25 jaar die een NLQF-traject volgden. “Ze zeiden: het liefste willen we een écht diploma.” Voor Pieter een teken dat de waarde van skills en alternatieve diploma’s en kwalificaties zoals NLQF nog verder verankerd moet worden. “Dat is precies waar de sector nu aan werkt.”
De koelkast is vol, maar er is nog geen gerecht
Wat Pieter als nieuwkomer in de sector het meest opvalt: “Het is een hele constructieve en pragmatische sector. Er gebeurt veel.” Maar dat brengt hem bij een tweede metafoor. “Het is net een koelkast die helemaal vol zit. Er wordt van alles ontwikkeld en in gang gezet. Alle ingrediënten zijn er. Er wordt alleen nog niet een gezamenlijk gerecht mee gemaakt.”
Die noodzaak tot samenwerking wordt volgens Pieter alleen maar groter. Hij vertelt over een lopend traject rond de toekomstbestendige kwalificatiestructuur: de instroom bij ROC’s is voor sommige opleidingen te laag, en er wordt gekeken welke opleidingen samengevoegd kunnen worden. Denk hierbij aan het samenvoegen van metselen en voegen, met latere specialisatie. “Dat kan doorwerking hebben op wat SVGO-Gaan in de Bouw nu al aanbiedt. Het kan zijn dat het regulier onderwijs een opleiding schrapt, en dat die dan actief bij SVGO-Gaan in de Bouw wordt belegd.”
De rol van Gaan in de Bouw
SVGO-Gaan in de Bouw speelt een belangrijke rol midden in de zandloper, als aanbieder binnen de BKS. “Gaan in de Bouw heeft hierin veel te bieden, namelijk: flexibiliteit, korte doorlooptijden, kleinere klassen en de juiste docenten en examinatoren weten te vinden. Bovendien bestaat er een netwerk om dit type onderwijs voor elkaar te krijgen. Die rol wordt alleen maar belangrijker naarmate de sector meer met elkaar optrekt en losse initiatieven samenkomen tot één geheel. Gaan in de Bouw vormt daarin een stevige partner, midden in die beweging, verbindend tussen onderwijsinstellingen, bedrijven en deelnemers.”