“Als er een baksteen in tweeën moest, haalde er al gauw iemand de kapzaag van de muur. Die gebruiken we normaal voor hout”, vertelt docent bij Gaan in de Bouw Harry van der Veen (75) over de start van zijn loopbaan op een ITO-school, met groepjes van maximaal veertien leerlingen die liever gisteren dan vandaag aan het werk wilden. Hij begreep al vroeg wat deze jongens nodig hadden: geen theorie van bovenaf, maar een ingang vanuit hun toekomstige beroepspraktijk.

Van de bouwplaats naar de ontwikkelkamer

Harry werkte vijfentwintig jaar als docent bouwkunde in Amsterdam. Daarna maakte hij de overstap naar onderwijsontwikkeling: lesstof maken, examens schrijven, kwalificatiedossiers bijhouden. Die jaren leerden hem iets wat hij tot op de dag van vandaag gebruikt in de les: de logica van goed onderwijs is omgekeerd aan wat je denkt. “De juiste volgorde is: eerst het beroepscompetentieprofiel. Je spreekt werkgevers, werknemers, mensen van de bond. Zo ontstaat een kwalificatiedossier, van daaruit maak je examens. En pas daarna schrijf je de lesstof, die is toegeschreven naar die examens en vooral naar de beroepspraktijk.” In de uitvoering ging dat vaak anders. Lesmateriaal verscheen soms eerder dan de examens, en het resultaat was dan, achterhaald en theoretisch. “Ik heb modules voorbij zien komen van tachtig pagina’s. Die moet je dan gisteren doorwerken voor het examen van morgen. Maar je bent aan het werk met praktijkmensen, geen mensen die theorieboekjes uit hun hoofd leren.”

Geen boek, maar een gesprek

De kern van Harry’s didactiek, die zo goed aansluit bij de visie en missie van Gaan in de Bouw, laat zich in één zin samenvatten: via de praktijk de ingang naar de theorie, nooit andersom. Bij Gaan in de Bouw werkt Harry met vaklieden die al op het dak staan. Ze weten vaak wel hoe ze een pannenlat moeten zetten of hebben het in ieder geval al een keer gezien. Ze kennen de materialen uit hun hoofd. Maar theorie? Dat is een ander verhaal. Gesprekken over de theorie beginnen dan ook niet met een bladzijde uit een boek. Ze beginnen met de praktijk van gisteren. “Ik zeg: je hebt me verteld dat je met die en die klus bezig was. Welke materialen gingen er door je handen? Welke gereedschappen? Hoe heb je je veiligheid geregeld? Hoe lette je op je collega op het dak?” De antwoorden zitten al in de deelnemer. Dit gebruikt Harry ook in zijn rol als examinator bij Gaan in de Bouw waar hij het mondeling theorie-examen afneemt. Hierbij is het bewaken van het NLQF-examenniveau bij de afname cruciaal voor de validiteit en de betrouwbaarheid van het examen.
Tijdens de opleiding staat Harry er niet alleen voor. Instructeurs van Gaan in de Bouw begeleiden de deelnemers in de praktijk. Harry verzorgt de theorie. “Het is altijd maatwerk, en dat is precies de bedoeling.”

Zelfvertrouwen is alles

Achter elke vraag, achter elke les, achter elk examen zit één grote overtuiging: zelfvertrouwen is de sleutel. Niet de stof, niet het diploma, maar het vertrouwen dat je überhaupt iets kunt. “Die jongens hebben vaak op school gehoord hoe verkeerd ze dingen doen of dat ze het nooit zullen leren. Dat verdienen ze niet, ze verdienen een pluim als er weer eens goed werk is geleverd en ook nog eens binnen de planning.” Dat vraagt een specifieke houding van de docent. Niet zenden, maar luisteren. Geen kennisoverdracht van bovenaf, maar een gesprek. “De les

wordt altijd een onderwijsleergesprek. Ik vraag: hoe doen jullie dat? Hoe ben je in dit vak terechtgekomen? Hoe ben je ervan gaan houden? Appelleren aan wat iemand al kan, en van daaruit de the

orie inbrengen. Zo werkt het. Niet andersom,” zegt Harry.

‘Kijk eens wat ik heb gehaald’

Het vakbekwaamheidsbewijs dat deelnemers aan het einde van Gaan in de Bouw behalen is geen eindpunt, maar een bevestiging. Een bewijs dat je kunt wat je doet. Voor mensen die dat bewijs nooit hebben gekregen, weegt dat zwaar, in de goede zin van het woord. “Kijk eens wat ik heb gehaald.” Dat gevoel is heel belangrijk. Het gaat om eigenwaarde. En die eigenwaarde heeft ook een praktische kant: Harry weet dat werkgevers er net zo veel waarde aan hechten als de deelnemers zelf maar vaak zijn toch de bedrijven een knelpunt. “Deelnemers worden op het laatste moment afgemeld, omdat het werken op het dak prioriteit krijgt. Het werk gaat voor. Begrijpelijk en toch ook zonde, want het zijn precies die mensen die baat hebben bij erkenning van wat ze al kunnen.”

Docenten gezocht

Dat is wat Harry elke les opnieuw probeert te doen. En dat is ook waarom de schaarste aan docenten hem zorgen baart. “Voor de hellende daken zijn we nu met z’n tweeën. Dat is te weinig. En de acties om nieuwe docenten te vinden leveren weinig op. Het zijn bevoegde mensen die dit werk moeten doen, mensen die de bouw kennen én kunnen lesgeven. Die combinatie is blijkbaar zeldzaam.” Harry is er één van. En hij weet dat hij niet eeuwig door kan gaan. “Als ik 80 ben, dan denk ik toch niet meer dat ik dit kan.” Maar voor nu doet hij het nog. Met heel veel plezier, en met overtuiging. Want dit is de doelgroep waar hij zijn carrière mee begon, en waar hij hem mee afsluit. “Ze kunnen de wereld maken. Gewoon door met leermeesters mee te lopen, dingen te maken, ervaring op te doen. Daar mogen wij heel veel respect voor hebben.”